Make your own free website on Tripod.com

De groene rust van Lapscheure.


Lapscheure, deel van de Belgische gem. Damme, prov. West-Vlaanderen, tot 1971 (449 inw.) een zelfstandige gemeente en daarna tot 1977 deel van Moerkerke, in de Zeepolders, aan het Kanaal van Brugge naar Sluis. Barokkerk (1649–1651).

De expresweg Antwerpen-Knokke brengt ons tot op een steenworp van de kerk van Lapscheure, onze startplaats. Zoals het in polderdorpen hoort, rusten ook hier de doden rond de kerk. De dorpskom is klein en knus.

De kerk zoals ze daar nagenoeg ongewijzigd staat, werd tussen 1649 en 1652 gebouwd.
Tussen 1715 en 1755 was Franciscus Heldwijns pastoor van deze parochie. Nu rust hij onder een grafsteen in de middengang van zijn kerk. Zijn naam lees je in het lijstje van de ‘pastoors vanaf 1642’. De paster van Lapscheure moet een soort van Tijl Uilenspiegel zijn geweest die poetsen bakte, rad van tong was en – wat ons niet verbaast – in conflict kwam met monseigneur van Susteren, zijn bisschop en, zoals toen de mode was, een prins van de kerk. De pastoor woonde ook een tijdlang in zijn kerktoren. Wellicht is dat de verklaring van het feit dat de kerk van Lapscheure, blijkbaar als enige in het land, een huisnummer (29) bezit.

We verlaten de kerk, zwenken langs de linden en kerkhofmuur naar links en nog eens naar links. Aldus stappen we de Hoogstraat in. Aan de T kiezen we voor links, de Groenen Dijk. Links achter, tussen de populieren, schittert de kerk als een klokhen tussen haar kuikens. Koeien grazen in de schaduw van de kerk.
Net voorbij de bocht ben jij bij de Platte Kreek, een natuurreservaat met zoutminnende planten op en bij de oevers. Na nog een bocht naar rechts moeten we een keuze maken. Wie van asfalt houdt, kiest er voor links (Kaleshoek) en volgt dus de pijlen van de Maerlant- en Smokkelroute. Wie gras en aarde mint, stapt gewoon rechtdoor (het verkeersbord ‘doodlopende weg’ negerend).
Wij kiezen uiteraard voor gras en aarde en worden snel beloond met fraaie vergezichten vanop de dijk. Naast ons meidoorn en hondsroos. In de verte duiken de torens en de windmolen van Sluis op. Aan de T stappen we rechts op de Zeedijk. Na enkele honderden meters is er een bocht naar rechts. Net voorbij die bocht, op een steenworp links van de aardeweg, bevinden zich de ruïnes van de oude kerk van Lapscheure, die in 1240 werd gebouwd. Hier was van rond het jaar 1000 tot 1583 de dorpskom van Lapscheure.
We keren op onze stappen terug en blijven trouw de Zeedijk volgen. We stappen verder en kunnen kiezen tussen de boerenweg aan de voet van de Zeedijk of de grazige dijkkruin. Vanop de dijk krijg je oostwaarts een panoramische kijk op het Lapscheurse Gat (dat nu huizenvrij polderland is) met een watering met rietkraag. Op de dijk groeien koekoeksbloem, walstro, wilde peen, fluitenkruid en jakobskruid. Wellicht zie je een blauwe reiger, een torenvalk, zelfs een bruine, grauwe of blauwe kiekendief.

Waar de dijk naar rechts zwenkt en de boerenweg naar links buigt, bevindt zich de Blauwe Sluis. Ze is van 1746 en diende om het overtollige polderwater doorheen de Zeedijk in het Lapscheurse Gat te lozen. Rond 1850 raakte ze haar functie kwijt aan het Leopoldskanaal.

Enkele honderden meters voorbij de Blauwe Sluis zwenkt de weg haaks naar links. Gelijk rechts heg je een fraai panorama op de Damse Vaart, de zware toren van Sint-Anna-ter-Muiden, de gewezen zwinbedding en Sluis met zijn belfort en windmolen. Even verder net voorbij de populierendreef bij de hoeve, slaan we rechts het Moordenaarsstraatje in, hierbij het verkeersbord ‘doodlopende weg’ negerend. Na enkele passen komen we voorbij de witte Sint-Donaashoeve en de aanlegsteiger van Kobus, de veerpont over de Damse vaart. Zelf te bedienen en een van de vele hoogtepunten van onze wandeling. Alleen bij al te felle wind doe je er beter aan de alternatieve weg te kiezen. Geen al te felle wind en op eigen spierkracht hebben we de andere oever van de vaart bereikt. Hier naar links waar we een tweetalkilometers genieten van heerlijk dijkkruinwandelen onder de ruisende populieren, naast het kabbelende kanaalwater en te midden van ongeschonden polderland.

Rechts van ons in de verte wiekt de witte molen van Hoeke. Links, aan de overzijde van het kanaal, was er een baksteenfabriek die met haar verlaten kleiputten veel watergebonden flora en fauna heeft aangetrokken. We stappen onder de brug van de Expresweg. Rechts de dorpskom van het kleine Hoeke, bij de brug een café en links een smal bruggetje over de vaart. We lopen via het bruggetje over de Damse Vaart, ook het Napoleonkanaal genoemd.

Over het bruggetje hebben we kasseien onder de voeten. Rechts ontwaren we een camping. Zo komen we bij het restaurant Laagland, steken hier de Expresweg over, en zwenken aan de overzijde naar rechts en kiezen enkele honderden meters verder schuin links voor de Lapscheurestraat. Die voert je, voorbij een uitloper van de Platte Kreek en een fraaie hoeve, naar de kerk van Lapscheure.

Bron: Kreo, maandblad van Vakantiegenoegens

koekoeksbloem, naam voor het plantengeslacht Lychnis (v. Gr. luchnis, een plant met helder scharlakenrode bloemen) uit de Anjerfamilie en onderdeel van de naam van een aantal soorten uit het geslacht Silene van dezelfde familie.
I. Het geslacht Lychnis telt ongeveer 35 soorten, die vooral goed vertegenwoordigd zijn in Siberië. De echte koekoeksbloem (L. flos-cuculi) is een in Nederland en België zeer algemene plant van graslanden, enz. De roze kroonbladen (mei–juli) zijn vierspletig, waardoor de plant gemakkelijk van de dagkoekoeksbloem (met tweespletige kroonbladen) te onderscheiden is; hoogte 0,30–0,90 m. Enkele soorten uit dit geslacht zijn algemeen geteelde sierplanten: brandende liefde of Konstantinopel (L. chalcedonia) is een tuinplant, afkomstig uit Rusland, die ook als snijbloem wordt geteeld. De scharlakenrode bloemen staan in dichte tuilen, de kroonbladen zijn tweespletig (juni–aug.); hoogte 0,60–1,00 m. Er bestaan ook cultivars met witte, met gevulde en met witte gevulde bloemen (resp. var. alba, plena, alboplena). Prikneus (L. coronaria) is een witviltige, tot 90 cm hoge tuinplant met ongedeelde rode (zelden witte) kroonbladen, die afkomstig is uit Zuid-Europa en in juli en augustus bloeit. De Jupiterbloem (L. flos-jovis) is ook een algemene, witbehaarde tuinplant uit Zuid-Europa. Deze soort heeft lilaroze bloemen in dichte trossen. De rode pekanjer (Lychnis viscaria [Viscaria vulgaris]) komt in Oost-België in het wild voor; in Nederland is de soort alleen als tuinplant en adventief bekend. Het is een overblijvende, ca. 50 cm hoge en naar de top kleverige, rechtopstaande plant met de bloemen in een dichte pluim. De kroonbladen zijn rood (mei–juli).
II. In Nederland en België komen van het geslacht Silene enkele soorten in het wild voor die koekoeksbloem worden genoemd. De meest algemene is de dagkoekoeksbloem (S. rubrum), een zeer gewoon onkruid op beschaduwde, ruige plaatsen. Deze tot 90 cm hoge soort is tweehuizig: de bloemen bezitten hetzij tien meeldraden, hetzij een vruchtbeginsel met vijf stijlen. De kroonbladen zijn rood, zelden wit (mei–sept.). Na aantasting door een brandschimmel (Ustilago violacea) worden de bloemen weliswaar tweeslachtig, maar zijn steriel doordat de helmknoppen gevuld zijn met schimmelsporen en de stijlen niet voor stuifmeel ontvankelijk zijn. Ook de avondkoekoeksbloem (S. album) is tweehuizig. Deze tot 1 m hoge soort, die ook meestal voorkomt op beschaduwde plaatsen, heeft bloemen die zich tegen de avond openen en dan gaan geuren; ze worden bestoven door nachtvlinders. De kroonbladen zijn wit, soms roze (mei–herfst). De nachtkoekoeksbloem (S. noctiflorum), ook een nachtbloeier, heeft tweeslachtige bloemen en is in Nederland zeldzamer dan de twee vorige soorten; in België komt hij nog slechts bij uitzondering voor. Deze tot 90 cm hoge soort heeft kroonbladen die van buiten geelwit en van binnen bleekroze zijn (juni–herfst); hij komt voor op bouwland.

walstro, naam voor het plantengeslacht Galium en onderdeel van de naam van een soort uit het geslacht Sherardia, beide uit de Walstrofamilie. Het plantengeslacht Galium (v. Gr. plantennaam gallion) is een kosmopolitisch geslacht van ca. 400 soorten.
In Nederland en België komen ca. tien soorten in het wild voor. Het zijn kruidachtige planten met de bladen in kransen, met kleine, min of meer stervormige bloemen, die meestal een witte kroon hebben, en met tweedelige splitvruchtjes. Algemene soorten zijn de volgende: glad walstro (G. mollugo), een kale (soms behaarde), grote plant met liggende of min of meer klimmende stengels en zes- tot achttallige bladkransen, algemeen in heggen, wegbermen, enz. de bloemkroon is wit (mei, juni–aug., sept.); kleefkruid (G. aparine), een 60–120 cm lange plant met liggende of klimmende stengels die met weerhaakjes ( ‘klimharen’) bezet zijn, algemeen op dezelfde plaatsen als de vorige soort; de bloemkroon is wit of groenwit (juni–herfst); moeraswalstro (G. palustre), een 5–50 (soms 110) cm hoge, teerdere plant met vier- (tot zes)tallige bladkransen, op vochtige plaatsen; de bloemkroon is wit (mei–sept.); echt walstro (G. verum), een 5–120 cm hoge plant met acht- tot twaalftallige bladkransen, in Nederland alleen algemeen in het duingebied en in Zuid-Limburg, elders zeldzaam; de bloemkroon is geel (juni–herfst).
Blauw walstro (Sherardia arvensis) is de enige soort uit het geslacht Sherardia (n. W. Sherard, 1659–1728, Engels jurist en amateurplantkundige). Het is een 15–25 cm hoge plant met meestal liggende stengel met bladen in kransen van vier tot zes. De bloemen staan in door een omwindsel omgeven hoofdjes, de bloemkroon is lila (juni–herfst). Waarschijnlijk afkomstig uit het Middellandse-Zeegebied heeft de soort als akkeronkruid zijn areaal sterk uitgebreid; in Nederland en België komt blauw walstro op bouwland voor.

fluitenkruid, de plantensoort Anthriscus sylvestris (v. Gr. plantennaam anthriskos) uit de Schermbloemenfamilie. Het is een welbekende, omstreeks mei bloeiende plant van wegranden, vochtig grazige plaatsen, loofbos, enz. De bladen zijn twee- tot driemaal geveerd, de samengestelde schermen hebben geen omwindsel, de bloemen zijn wit (mei–juni). De vruchten zijn kortgesnaveld en smal.

De tot de eigenlijke reigers behorende blauwe reiger (Ardea cinerea), 90 cm, is in Nederland een algemene en in België een schaarse broedvogel in kolonies, gewoonlijk in hoge bomen, soms in het riet. In de vlucht is hij gemakkelijk te herkennen aan de S-vormig gebogen hals en de zware, langzame vleugelslag.

torenvalk, de vogelsoort Falco tinnunculus uit de familie Valken. De torenvalk, 33–35 cm, is vooral een insecten- en muizenjager; hij spoort zijn prooi ‘biddend’ (met snelle vleugelslagen boven een muizenrijke plaats stilstaand in de lucht) op. In de vlucht vallen de lange puntige vleugels en de lange staart op. De torenvalk nestelt in Nederland en België op gebouwen en in bomen. Het legsel bestaat uit 4–7 (9) eieren. Het is in onze streken een vrij algemene broedvogel. De oudst bekende torenvalk in Nederland werd 16 jaar.

Kiekendieven, de onderfamilie Circinae van de Havikachtigen. Het zijn vrij grote roofvogels met naar verhouding lange poten, een lange staart en kleine kop. De lange vleugels worden in de vlucht enigszins geknikt en schuin opgeheven gehouden; de vlucht is langzaam, wat schommelend en met veel zweven. Kiekendieven zijn grondjagers; zij laten zich vallen op de prooi: muizen, ratten, jonge vogels, vis, grote insecten, kikkers, maar ook eieren en aas. Zij komen over de gehele wereld voor: van de poolstreken tot in Oceanië en Nieuw-Zeeland.
1. Soorten
De meeste van de zeventien soorten behoren tot het geslacht Circus. Bij de meeste soorten verschilt het mannetje duidelijk van het vrouwtje (geslachtsdimorfie). Het vrouwtje is dan groter en minder opvallend getekend, jaagt ook op andere prooien en kan daardoor ook 's winters een ander trekgedrag vertonen.
In Nederland en België zijn vier soorten bekend.
Een vrij algemene broedvogel van rietlanden en moerassen is de bruine kiekendief (C. aeruginosus), een doortrekker, een vrij talrijke wintergast en overwinteraar. Het mannetje is bruin met grijze staart en grijze vleugelachterranden met donkere punten, het vrouwtje donkerbruin met roomwit op kop en voorvleugelrand. De andere drie soorten zijn kleiner en slanker.
De blauwe kiekendief (C. cyaneus) is een zeldzame broedvogel in Oost- en Zuid-Nederland, op Ameland en Terschelling en in België, en is een niet-zeldzame wintergast. Het mannetje is prachtig blauwgrijs met zwarte vleugelpunten en witte stuit, wijfje en jongen zijn bruin en donkergestreept. De grauwe kiekendief (C. pygargus) is een weinig talrijke broedvogel van duinen, heiden, moerassen en venen, het talrijkst nog op de Waddeneilanden, echter niet in de winter. Het mannetje is asgrauw met zwarte vleugelband en -punten; de onderzijde is asgrauw en wit met bruine vlekken; het wijfje is bruingestreept met kleine witte stuit. Bij deze soorten is het nest meestal een groot plat bouwsel van riet, takken, gras e.d., met drie tot zes eieren. De bebroeding geschiedt (vnl.) door het wijfje. Bebroeding vanaf het eerste of tweede ei; daardoor dikwijls een nakomertje in het nest.
Dwaalgast is in onze streken de steppenkiekendief (C. macrourus), waarvan het broedgebied vooral in Azië ligt. Deze lijkt op de grauwe kiekendief, maar het mannetje heeft geen zwarte vleugelband, een geheel witte onderzijde en in plaats van een witte een grijze stuit.