Make your own free website on Tripod.com

Van de kerk van Waardamme naar het Torenhof. (9km)

Waardamme, deel van de Belgische gem. Oostkamp, prov. West-Vlaanderen, tot 1977 (1444 inw.) een zelfstandige gemeente, in Zandig Vlaanderen (Westelijk Houtland), aan de Waardammebeek. St.-Blasiuskerk (1878) met 18de-eeuws interieur. Kasteel Rooieveld (18de eeuw).

Tot voor een paar eeuwen was de zandstreek ten zuiden van Brugge nog met een soort heide of veld bedekt.  Nu zijn daar bossen en kasteelparken, drevenlandschappen en boerenland, beekvalleien en de laatste West-Vlaamse wilde beken.  Ingrediënten zat dus voor een boeiende wandeling.
De kerk van Waardamme ligt op een steenworp van de weg Brugge-Kortrijk.  Je stapt er van de lijnbus of dropt er de auto of fiets.  In de late lente en de prille zomer gieren gierzwaluwen rond de kerktoren.  Met de rug naar de kerk stap je rechts de Beekstraat in.  Je buigt mee naar rechts, laat de dorpskom achter je en kiest gelijk voor links, de Rooiveldstraat.  Om je heen niets dan boerenland.
Na 700 meter dwingen privédrijven je naar rechts.  Je bereikt er vervolgens na een kilometer een T, waar je naar links gaat.  Een steenworp verder is er een Y.  Je kiest er de dreef links, de Waterstraat.  Het is hier goed stappen tussen zomereik, Amerikaanse eik en canadapopulieren.  Rechts is er al bos, links een weiland en vervolgens ook bos.  Let op de struiken van sporkenhout of vuilboompje links tussen en onder de bomen van de dreef: is giftig en geneeskrachtig en bloeit opvallend van mei tot oktober, tot grote vreugde van de imkers en hun bijen.  Sporkenhout draagt bessen die die achtereenvolgens groen, geel, orange, rood en blauwzwart worden en bezit gave bladeren die voedsel zijn voor de rupsen van de citroenvlinder.
De weg buigt naar links en het bos is heel even weg.  Je bent eindelijk bij het beloofde wqter van de Waterstraat, zijnde de Waardammebeek in haar fraaie vallei bedekt met weiland en houtgewas.  Door een gelukkige samenloop van omstandigheden wist de Waardammebeek te ontsnappen aan de vooruitgang van de sixties.  Geen onnatuurlijke wanden dus, wel sierlijke meanders met aanslibbing op de binnenoevers en uitschuring in de buitenoevers.
Tegenover het huis met nummer 32 is er rechts een grindweg tussen jonge zomereiken en voorzien van een bord 'doodlopende weg, uitgezonderd fietsers'.  Dit grindpad voert je snel naar alweer een portie bos.  Aan de oude hoeve met rode poorten en een merkwaardige schuur - ooit als olieslagerij bedoeld - zo vertelt ons de landbouwer kies je noodgedwongen voor rechts.  Je volgt nu even het Torenhofpad, een wandeling van Vakantiegenoegens die hier ook voorbijkomt.  Een steenworp verder steek je de Waardammebeek over.  Je komt voorbij het restaurant Kampveld en de hoeve het Torenhof met haar oude duiventoren.
Je stapt verder en je bereikt een T, waar je de Kampveldstraat naar rechts volgt.   Heel merkwaardig, in dit schitterende landschap van bossen, dreven en boerenland heeft zich een industrieterrein genesteld en dat is een paar hectometers lang je linkse wandelgezel.  Je kijkt dus naar rechts en geniet al snel van de schitterende Kampveldhoeve in haar groene decor.  Net als het Torenhof een foto waard.  Onder de bomen, op de bermen en aan de slootrand tieren in de zomer en de vroege herfst wolfspoot, schermhavikskruid, vlasbekje, steepzaadsoorten, brem, kamperfoelie, zelfs blauwe knoop.  Vooraf opsnorren in de flora en ze hier in levenden lijve moeiteloos herkennen.
Een beetje verder is er links een sfeervol boerderijtje en volg je de dreef mee naar rechts.  Op een al bekende T stap je naar links en even verder rechtdoor (dus niet naar rechts), de Scharestraat in.  Net voorbij het huisnummer 6A kies je rechts voor de Akkerstraat.  Je komt voorbij velden waar duizenden jonge loofbomen worden geboren.  Je zwenkt mee naar rechts om even verder bij het kruisbeeld rechts de Zuidstraat in te slaan en snel de Waardamse kerk te bereiken.

Bron: Kreo, maandblad van Vakantiegenoegens

Brugge (Fr. en Eng.: Bruges; Duits: Brügge), gemeente en stad in België, hoofdplaats van de prov. West-Vlaanderen en van het gelijknamige arrondissement, 127,96 km2, met 115!815 inw. De gem. Brugge ontstond in 1971 door samenvoeging van de toen opgeheven gelijknamige gemeente en stad (eind 1970: opp. 35,46 km2, 51!463 inw.) met Assebroek, Koolkerke, Lissewege, Sint-Andries, Sint-Kruis en Sint-Michiels en delen van Dudzele, Heist, Loppem, Oostkamp en Ramskapelle. Begin 1977 stond Brugge een gebiedsdeel (3, 07 km2) af aan Damme. Administratief omvat de gemeente ook het 12 km lange Boudewijnkanaal en de havenagglomeratie Zeebrugge.
Brugge ligt deels in de Zeepolders, deels in het Westelijk Houtland, aan de Noordzee, het Boudewijnkanaal en de Kanalen Brugge–Oostende, Brugge–Sluis en Brugge–Gent. Het is naar inwonertal de eerste en naar oppervlakte de tweede gemeente van West-Vlaanderen.
Hierna wordt onder de paragraaf ‘Functies’ de huidige gemeente behandeld. De overige paragrafen hebben nagenoeg uitsluitend betrekking op de gem. Brugge vóór de fusie van 1971.

1. Functies

Brugge is in de eerste plaats een regionaal verzorgend centrum, met een eerder beperkte invloedssfeer wegens de concurrentie van Gent, Kortrijk en Oostende. De stad is zetel van een hof van Assisen, het provinciebestuur van West-Vlaanderen en het bisdom Brugge. Omstreeks 1900 kwam de eerste industrie tot stand bij het Kanaal Brugge–Oostende (gist- en spiritusfabriek) en op het grondgebied van Sint-Michiels langs het Kanaal Brugge–Gent (metaalbedrijf). Pas na de Tweede Wereldoorlog kreeg Brugge een werkelijke industriële functie, met de aanleg van het Nijverheidsdok (bij het eindpunt van het Boudewijnkanaal) en het daarbij horende industriepark. Sedert het midden van de jaren zeventig is een tempering in de snelle industrialisering merkbaar. Er zijn verscheidene industrieterreinen (Herdersbrug, 139 ha; Blauwe Toren, 63 ha; Sint-Andries, 56 ha; het Burgemeester-Van Dammepark, 78 ha; het havengebied van Zeebrugge, ca. 60 ha), waar industriële, ambachtelijke, handels- en transportbedrijven zijn gevestigd. Van de werkbevolking is 2% werkzaam in de landbouw en visserij, 19,3% in de industrie en 69,8% in de handel en diensten en 8,7% bedrijf onbekend.
Van de vele onderwijsinstellingen zijn vooral het Europa-college, de stedelijke academie voor beeldende kunsten, het conservatorium en een doofstommen- en blindeninstituut te vermelden. Er zijn een stads-, rijks- en bisschoppelijk archief en een stads- en seminariebibliotheek. De stad bezit belangrijke musea, o.a.: het Stedelijk Museum voor Schone Kunsten (Groeningemuseum) met een wereldberoemde verzameling schilderijen van Vlaamse Primitieven (o.a. J. van Eyck, R. van der Weyden, H. Memling, H. van der Goes), werken van plaatselijke schilders uit de 16de tot 18de eeuw en een collectie van moderne schilderkunst; het vroegere huis van de heren van Gruuthuse (15de eeuw), dat als stedelijk oudheidkundig museum is ingericht; het geboortehuis van Guido Gezelle, met een rijk archief van handschriften, boeken en foto's; het Arentshuis (etsen en schilderijen van F. Brangwyn, keramiek, porselein); kantmuseum.
Brugge is een van de belangrijkste toeristische centra van België. Het hoogtepunt van het toeristische jaar valt samen met de H.-Bloedprocessie (Hemelvaartsdag). Om de vijf jaar trekt de Gouden Boomstoet uit, een evocatie van het huwelijk (1468) van Karel de Stoute met Margaretha van York. Op het grondgebied van Sint-Michiels bevinden zich het polyvalente Boudewijnpark (15 ha), met o.m. een astronomisch uurwerk en een dolfinarium, Sportstadion Olympiapark, met voetbalvelden (voor FC Brugge en SV Brugge) en andere accommodaties. Het zandige deel in het zuiden en zuidoosten (vooral Sint-Andries) omvat 6,94 km2 bos, met talrijke kasteelparken.

2. Stadsbeeld

Meer dan enige andere plaats in de Nederlanden heeft Brugge het aanzicht van een oude stad bewaard. Dat is grotendeels het gevolg van het economische verval van de stad in de 19de eeuw, waardoor zich geen industrie in de binnenstad vestigde, alsook van de vroege belangstelling van Engelse en Franse toeristen en van het feit dat de stad in de beide wereldoorlogen gespaard is gebleven. Brugge bezit nog een aantal oude kanalen, o.m. het poëtische Minnewater (in de middeleeuwen de Brugse binnenhaven), en heeft de typische structuur van een middeleeuwse stad behouden: onregelmatig en stervormig stratenpatroon en duidelijke afscheiding van de banlieue door de wallen.
2.1 Burgerlijke gebouwen
Aan de Grote Markt bevindt zich de Halle, een ruim, vierzijdig gebouw, waarvan de bouw ca. 1300 werd begonnen. De zuilengaanderij langs de Oude Burg dateert uit de tweede helft van de 16de eeuw. In het midden van de voorgevel verheft zich het 83 m hoge belfort, daterend van kort na 1280 en tussen 1483 en 1487 verhoogd met een achtzijdig gedeelte. De toren bevat een in 1743 door G. Dumery gegoten klokkenspel (47 klokken) en de zgn. Triomfklok uit 1680. Op de Grote Markt staat het door P. de Vigne vervaardigde standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck, de volkshelden van 1302. Op de Burg bevinden zich het Stadhuis, gebouwd vanaf 1376 en herhaaldelijk vergroot (15de–17de eeuw); de Civiele Griffie, in vroeg-renaissancestijl (1534–1537), naar het plan van Jan Wallot; en het voormalige Gerechtshof, eertijds Landhuis van het Brugse Vrije dat uit twee gedeelten bestaat. Tegenover de Vismarkt staan langs de Reie de gebouwen die naar het plan van Jan van de Poele werden opgetrokken (1520–1525); in de vroegere Schepenkamer bevindt zich de bekende Schouw van het Vrije (1528–1531), naar het ontwerp van Lanceloot Blondeel. Het andere complex, gelegen aan het binnenplein, dateert uit 1722–1727. Tegenover de O.-L.-Vrouwekerk ligt het St.-Janshospitaal, met drie 13de– en 14de-eeuwse ziekenzalen, waarvan de zuidelijke als Memlingmuseum is ingericht. Buiten de binnenstad zijn het nieuwe (sedert 1977) St.-Janshospitaal, het Gerechtshof (1979–1984; aan de Kruispoort) en de Vrouwengevangenis opgetrokken. Op het O.-L.-Vrouwekerkhof staat het standbeeld van Guido Gezelle, het laatste werk van J. Lagae (1930).
2.2 Kerkelijke gebouwen
Brugges beroemdste bedehuis omvat twee verdiepingen: de romaanse benedenkerk (St.-Blasiuskapel) dateert uit de 12de eeuw, de laat-gotische bovenkerk uit de 16de eeuw. In de laatstgenoemde, de H.-Bloedkapel, wordt een reliek van het H. Bloed bewaard, waarvan de oudste vermelding te Brugge teruggaat tot ca. 1256. In de schatkamer bevindt zich het reliekschrijn van het H. Bloed (1614–1617), door Jan Crabbe. De St.-Salvatorkathedraal dateert uit verscheidene perioden: het benedengedeelte van de toren uit ca. 1200, de neoromaanse bekroning van 1844–1846, de spits uit 1871; het koor en schip zijn 13de– en 14de-eeuws; de kooromgang is van ca. 1480 (naar het plan van Jan van de Poele). Het interieur omvat o.a. een koorgestoelte uit ca. 1450, een doksaal uit 1679–1682 (in 1935–1936 verplaatst), grafmonumenten van bisschoppen, alsook kostbare schilderijen, beelden en koperen grafzerken. De vijfbeukige O.-L.-Vrouwekerk (13de–15de eeuw), met 122 m hoge bakstenen toren, heeft een bezienswaardig interieur: een O.-L.-Vrouwebeeld (ca. 1505) door Michelangelo, de grafmonumenten van Maria van Bourgondië (1502; in 1979 werd haar graf, onder het hoogkoor, ontdekt) en Karel de Stoute (1558–1562), een bidtribune van L. van Gruuthuse (1472) en vele schilderijen. In de gotische St.-Jacobskerk (13de–15de eeuw) zijn vele schilderijen en koperen grafzerken. De St.-Annakerk, oorspronkelijk in laat-gotische stijl, werd in de 17de eeuw in barokstijl verbouwd en bemeubeld (o.a. doksaal door Hans van Mildert, 1626–1628). De St.-Walburgakerk is de voormalige Jezuïetenkerk (1619–1642), gebouwd naar de plannen van P. Huyssens. Het meubilair omvat o.m. een preekstoel van A. Quellien de Jonge (1667–1669) en een communiebank van H. Verbrugghen (1694–1695). De Jeruzalemkerk of Kapel van het H. Graf werd in de 15de eeuw door de familie Adornes gesticht. Het huidige seminarie is de vroegere cisterciënzer Duinenabdij, met de bouw waarvan in 1628 werd begonnen; de kerk dateert uit 1775–1788. Beroemd is het schilderachtige Begijnhof Ten Wijngaarde (gesticht 1245), waarvan de huisjes uit verscheidene eeuwen dateren. De gebouwen van de St.-Godelieve-abdij dateren van 1627–1629 en 1742.
2.3 Stadpoorten
Van de zeven oorspronkelijke stadspoorten zijn er nog vier bewaard: de Kruispoort (1402), de Gentpoort (1400), de Smedenpoort (1299) en de Ezelpoort (14de eeuw); ze staan alle aan de zuidoostelijke kant van de stad.
2.4 Stadsvernieuwing en -sanering
Sinds het begin van de jaren zeventig voert het Brugse stadsbestuur, als eerste in België, in samenwerking met de Stichting Marcus Gerards, een kordaat stadsvernieuwings- en -saneringsbeleid op basis van een globaal structuurplan voor de historische binnenstad. Het plan beoogt de aanpassing van de structuur en de uitrusting van de binnenstad aan de hedendaagse functies en het verkeer. Ook historische gebouwen werden gerestaureerd (o.a. de Halletoren en -gebouwen, Proosdij, St.-Annakerk, kerktoren van Lissewege). Belangrijk voor de sanering van de binnenstad was ook de zuivering van de Reie (1973–1974).
2.5 Toerisme
Brugge is een der drukst bezochte oude steden van Europa. Jaarlijks doen ruim twee miljoen dagtoeristen de stad aan en er zijn jaarlijks zeshonderdduizend verblijfstoeristen. De verblijfsaccommodatie is de laatste jaren aanzienlijk uitgebreid. De stad was en is nu nog een spiegel van Europa: men wandelt er van de Spaanse Loskaai naar de Genuese Loge en van het Oosterlingenhuis naar het Engels klooster.

3. Archeologie

Op de Burg (het oudste stadsdeel) werden in de nabijheid van de H.-Bloedkapel verscheidene muren blootgelegd, waaronder de omheiningsmuur van het castrum, de eerste burcht van de graaf van Vlaanderen. Deze 1,6 m brede en meer dan 3 m onder de grond stekende muur werd opgetrokken in zgn. veldsteen (glauconietrijke zandsteen) en bevat ook Doornikse kalksteenbrokken. De aanwezigheid van Badorfkeramiek in de funderingssleuf wijst erop dat de muur waarschijnlijk uit de 9de eeuw dateert. Ook werden muren blootgelegd van het Steen, de gevangenis van het tweede grafelijke slot, gebouwd op de vestingmuren van de oude burcht. Op een terrein aan de Kuipersstraat werden Badorfkeramiek, reliëfbandkeramiek (verwant aan de Badorfkeramiek en eveneens uit de 9de eeuw), Pingdorfkeramiek (11de–13de eeuw) en Andennekeramiek (11de–14de eeuw) aangetroffen. Het was de eerste maal dat in Brugge deze keramiekgroepen werden gevonden.
Bij opgravingen naar aanleiding van bouwwerken voor het Hilton hotel (1987–1989) aan de noordzijde van de Burg, waar eertijds de romaanse St.-Donatiaankerk stond (gesloopt bij de Franse Revolutie), werden sporen van de oudste houten versterking, van de latere stenen burchtmuur (ca. 950), van de romaanse Donatiaankerk (zuidelijke kooromgang, 14de eeuw) en van het kapittelklooster blootgelegd. Een reconstructie van deze funderingen met talrijke ter plekke opgegraven voorwerpen en grafstenen is thans te bezichtigen in de kelders van het hotel. Zo is de sfeer van de belangrijkste kerk van Brugge, waar in 1127 graaf Karel de Goede werd vermoord en waar Jan van Eyck (1441) en de Spaanse humanist Juan Vivès (1540) werden begraven, opnieuw geëvoceerd.

4. Geschiedenis

De oudste authentieke tekstvermelding van Brugge luidt Bruc(c)iam en dagtekent van 892. De vóór-stedelijke kern, waaromheen zich geleidelijk een nederzetting van kooplieden heeft gevormd, was een grafelijke burcht (castrum), in de tweede helft van de 9de eeuw door graaf Boudewijn I van Vlaanderen opgericht. In diverse perioden was Brugge een getijdehaven, ten gevolge van de verscheidene Duinkerke-transgressies (o.m. in de 9de en 11de eeuw). Ca. 1134 kwam de zee tijdens de Duinkerke III B-transgressie sterk opzetten via de bestaande zeearm Sincfal (vanaf de 13de eeuw Zwin genoemd) en reikte tot de plaats waar even later Damme werd gesticht. Brugge werd via een waterloop in verbinding gebracht met de sluis te Damme en kon zo zijn rol als havenstad beginnen. In het begin van de 12de eeuw kreeg het een stadskeure en in 1127 fungeerde een stedelijke schepenbank. In de 12de eeuw werd de stad het eindpunt van een nieuwe handelsweg, die van Keulen over Brussel en Gent naar Brugge liep en de belangrijkste verkeersader in Vlaanderen en Brabant werd. Tot het begin van de 13de eeuw deden de Bruggelingen aan actieve handel: met de Vlaamse lakens trokken zij zelf naar o.m. Engeland, het Rijnland en Westfalen, de kusten van Frankrijk en Noord-Italië. Daarna kreeg Brugges handel een overwegend passief karakter: de vreemde kooplieden kwamen nu zelf met hun waren naar de boorden van het Zwin, waardoor de stad in de 13de eeuw tot een wereldmarkt uitgroeide. Als een machtige stadstaat speelde Brugge sedert de late 13de eeuw de hoofdrol in de geschiedenis van het graafschap Vlaanderen. De stad heeft zich niet alleen ingespannen om tegenover de graaf een zo groot mogelijke autonomie te bekomen, maar zij heeft tevens al haar krachten aangewend om haar zelfstandigheid en die van het graafschap tegenover de Franse leenheer te bewaren. In de 14de eeuw stond zij haar leidersrol af aan Gent. Het verval van Brugge begon zich duidelijk af te tekenen tijdens de periode van de Bourgondische hertogen (15de eeuw). De stad ondervond ernstige concurrentie van Antwerpen en kreeg meer en meer last van de verzanding van het Zwin. Dit was het gevolg van een ecologische fout: overhaaste inpoldering en bedijking door abdijen en grootgrondbezitters. Alleen de meest noordelijk gelegen voorhaven Sluis bleef tijdens de 15de eeuw nog relatief voorspoedig. De opstand van de Bruggelingen tegen keizer Maximiliaan van Oostenrijk in 1488 luidde het definitieve verval in. De keizer drong erop aan dat de vreemde naties naar Antwerpen zouden verhuizen. Sedertdien nam Antwerpen definitief de plaats van Brugge in. De godsdienstoorlogen in de tweede helft van de 16de eeuw legden het economische leven van de stad volledig lam. In 1604 ging de verzande voorhaven Sluis definitief over in handen van de Verenigde Provinciën. In 1622 werd Brugge door een kanaal met Oostende verbonden, maar dit bracht weinig verbetering aan de ondergang van de handel.
Daarentegen kenden nieuwe industrieën als de saainijverheid en kantwerkerij in de 17de eeuw een belangrijke ontwikkeling. In 1794–1795 werd de stad bij Frankrijk ingelijfd en werd zij hoofdplaats van het departement Leie. In 1815 werd Brugge de hoofdplaats van de prov. West-Vlaanderen. Haar economisch dieptepunt bereikte de stad in de 19de eeuw. Toen begon de romantiek van de vervallen stad vnl. Engelse toeristen aan te trekken. Met de opening van het Kanaal Brugge–Zeebrugge (thans Boudewijnkanaal geheten) in 1907 kon Brugge opnieuw zeeschepen ontvangen. De gestelde verwachting voor de heropleving van de economie ging echter niet in vervulling, en slechts de voorhaven Zeebrugge kende enige ontwikkeling. Beide havens waren tijdens de Eerste Wereldoorlog als Duitse duikbootbases van belang. In de Tweede Wereldoorlog had Zeebrugge erg te lijden van hevige bombardementen door de geallieerden. Bij hun aftocht in 1944 gingen de Duitsers over tot systematische vernieling van de haveninstallaties. Door de aanleg van industrieparken kon de industrie zich na 1945 opnieuw ontwikkelen.

wolfspoot, de plantensoort Lycopus europaeus uit de Lipbloemenfamilie. De plant is in Nederland en België algemeen op vochtige plaatsen, vooral vochtige bossen, en langs waterkanten. De bladen van de 30–90 cm hoge wolfspoot zijn aan de voet veerspletig (vooral op natte standplaatsen), naar boven toe gezaagd. De kleine bloemen hebben een bijna straalsgewijs symmetrische, witte kroon met van binnen purperen stippen (juni–aug.).
Het geslacht Lycopus (v. Gr. lukos = wolf, pous = poot) telt 4 soorten, waarvan 3 op het noordelijk halfrond en één in Australië. Er zijn in de bloem slechts twee vruchtbare meeldraden, de andere twee zijn onvruchtbaar.

In Nederland en België is het vlasbekje (L. vulgaris) een algemene plant op zandgrond, o.a. op ruderale plaatsen (ruigten, puinhopen e.d.), in wegbermen, enz. Het is een 30–90 cm hoge, overblijvende, kruidachtige plant met verspreid staande, lijnvormige bladen; de bloemen staan in dichte, eindelingse trossen. De tweelippige, lichtgele bloemkroon is door een oranjegekleurd masker, bestaande uit twee uitstulpingen, bijna gesloten (juni–herfst). De andere in Nederland en België voorkomende soorten zijn veel zeldzamer.

brem, naam voor een soort en onderdeel van de naam van een aantal soorten uit het plantengeslacht Cytisus van de Vlinderbloemenfamilie.
De brem (C. scoparius) is in Nederland en België inheems. Het is een 60–150 cm hoge heester, die algemeen voorkomt op hei- en zandgrond, in het bijzonder op kalkarme grond. De lange kantige takken zijn groen, de bladen zijn drietallig tot enkelvoudig en betrekkelijk klein, de bladen vallen zeer snel af, de fotosynthese vindt voor een belangrijk deel in de stengels plaats. De bloemen zijn geel (mei, juni, soms opnieuw in september, oktober) en worden door hommels bestoven. De zwartbruine platte peulen bevatten tot ca. twaalf zaden. De soort wordt ook veel als sierstruik geteeld, ook in cultivars met anders gekleurde bloemen.
Ook verscheidene andere soorten worden aangeplant als sierheester. Algemeen is de purperen brem (C. purpureus), afkomstig uit Oostenrijk en Noord-Italië. De donkerroze, ook wel witte of purperroze bloemen staan in de bladoksels, één tot drie bijeen (mei, juni). De witte brem (C. multiflorus) is afkomstig uit Spanje en Noord-Afrika. Een andere algemene sierheester is de in de handel meestal kortweg brem genoemde C. praecox; dit is de bastaard van twee westmediterrane soorten (C. multiflorus en C. purgans). Het is een in april–mei bloeiende, tot 2 m hoge heester met overhangende takken, rijkelijk bloeiend met vrij grote crème-witte bloemen. De bladen zijn enkelvoudig. De soort prefereert een zonnige standplaats in een lichte, zandige bodem. Direct na de bloei iets snoeien. Ook de als kamerplant geteelde kamerbrem behoort tot dit geslacht.

kamperfoelie, ook wel haagkers, het plantengeslacht Lonicera (n. Adam Lonitz [gelatiniseerd tot Lonicerus], 16de-eeuws medicus te Marburg) uit de Kamperfoeliefamilie. Er zijn ca. 180 soorten, die voorkomen op het noordelijk halfrond, in de Andes en (heel weinig) in tropisch Azië. De bladen zijn enkelvoudig, tegenoverstaand; bij sommige soorten zijn de bladen van één paar vergroeid. De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch, ze staan in paren of in kransen. De vrucht is een bes. De wilde kamperfoelie (L. periclymenum) komt in Nederland en België in het wild voor in bossen, kreupelhout, heggen e.d. Het is een windende klimplant, die echter ook vaak over de grond kruipt. De welriekende bloemen staan in hoofdjesachtige bloeiwijzen, ze worden door o.a. pijlstaartvlinders bestoven. De bloemkroon is geelachtig-wit met rood (juni–aug.). Deze plant wordt ook veel als tuinplant geteeld, ook wel met afwijkend gekleurde bloemen. In Nederlands Zuid-Limburg en in oostelijk België komt een andere soort in het wild voor, nl. de rode kamperfoelie (L. xylosteum). Dit is een 1–2 m hoge, rechtopstaande heester, waarvan de geelachtig-witte bloemen aan de voet vaak rood zijn (mei, juni). De bloemen staan in paren in de bladoksels. Ook deze soort wordt als tuinplant geteeld, evenals een groot aantal andere soorten en hybriden, zowel slinger- en klimplanten als rechtopstaande of liggende heesters.

blauwe knoop, de plantensoort Succisa pratensis uit de Kaardebolfamilie. De plant komt vrij algemeen voor op vochtige plaatsen. De bladen zijn gaafrandig, zelden grofgetand. De bloemen zijn blauw, zelden roze, geel of wit (juli–sept.); ze staan in halfbolvormige niet-stralende hoofdjes. De bijkelk is ruwbehaard en heeft vier puntige tanden. Hoogte 30–90 cm. De wortelstok eindigt bot, als afgebeten; vandaar de volksnaam ‘duivelsbeet’ voor de plant. De soort wordt ook wel als tuinplant geteeld.